2019... Muss Es Sein Es Muss Sein

donderdag 24 december 2009

N*A*O*'s Nietsdoen (VI)

N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, …

… komt juist thuis van een leuk, maar zwaar debat met zijn Waalse broeder N©E©O© over de toekomst van ‘links’ in België, dus ook over de Belgische toekomst zelf.

Het feit dat er achteraf fysische gevechten uitbraken in de Korte Leemstraat, betekent dat het een zeer vruchtbaar debat was.

-6-

Dat men begint te banen, zijn kleren laat kapot scheuren of nog ‘erger’, is toch heel wat anders dan de consumptie, waarover ik het gisteren had ?

Zonder vrije tijd, geen consumptie. Zonder consumptie, geen economie. Zonder economie, geen leven.

Maar de enige eigenheid die men in zo’n vrije tijd vindt, is een soort individualistische pseudo-originaliteit die iemand eens treffend definieerde als “PPDM”, dit wil zeggen als “la plus petite différence marginale”. Eigenlijk wil men allemaal hetzelfde, maar men zorgt wel voor een minuscuul accentverschil.

Na het debat vanavond, op straat, werd echter een radicaal verschil duidelijk. Men ‘koos’ radicaal. Men koos een zijde, die niet eens origineel is. Men koos om als individu tot een groep te behoren. De onbekende Fransman Simondon noemt dit echte “individuatie”. De vorming van het ‘ik’ gebeurt tegelijk met die van de gemeenschap.

Maar dit is meer dan “PPDM” : omdat de ‘keuze’ radicaal is, dit wil zeggen : niet vrijblijvend.

Aldus lanterfantte N*A*O*,

‘Otium est pulvinar diaboli (VI)’,

Tweedclub, 23 december 2009

dinsdag 22 december 2009

N*A*O*'s Nietsdoen (V)

N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, …

… speelde vandaag bas bij de “Fifies”. Hij OEFENDE de baslijn van “Adriana”, het liedje van de gitarist voor zijn eerste kleinkind, met de pedofiele tekst :

Sweet Adriana

Wanna get near to you

Don't know what is happening

You keep smiling at me

Angels and birds

Undressing you

That peachy skin

My eternal clue

- evenals die van Steely Dan’s “Rikki don’t lose that number” en die van The Beatles’ “Revolution”, waarbij de Naamloze nog steeds hoopt dat de zanger “You can count me IN” zal zingen, in plaats van “You can count me OUT”…

-5-

De tegenwoordig dominante opvatting van vrije tijd, met zijn steeds meer opgefokte vormen van rust en recreatie, die dikwijls shoppen en vormen van poductie-als-comsumptie inhoudt, is zelfdestructief.

Vrije tijd is erger dan luieren. Hij lijdt aan de reeds vermelde ‘dialectische assimilatie’, omdat hij geconstrueerd wordt als tegendeel, dus als restant van de werktijd.

Eigenlijk véél erger, omdat het vermomd werk is.

De luiaard – die geen echte nietsdoener is – weet tenminste dat hij werk vermijdt.

Terwijl de vrije tijdsadept werkt zonder het zelf te weten ! Vrije tijd is gewoon werk met andere middelen, zowel op persoonlijk, als op systeem vlak ; dit wil zeggen : zowel op het vlak van de particuliere, als van de algemene economieën.

Op particulier niveau werkt de vrije tijdsadept omdat hij even onvrij is ten aanzien van de vrije tijdsverplichtingen, als ten aanzien van die van het werk. Dezelfde wanhoop, gatlikkerij en alomvattende onophoudelijke onzekerheid is duidelijk observeerbaar.

De luiaard is nors en verveeld, maar de vrije tijdsadept is manisch en razend.

Ze zijn allebei harteloos, maar de vrije tijdsaanhanger is overtuigd van de waan dat hij gelukkig is, of tenminste geluk nastreeft in één van zijn cultureel aanvaarde vormen.

Op algemeen niveau is het ook een mislukking, omdat deelname aan de vrije tijd altijd een economisch engagement is. Vrije tijd is gestructureerd en gedisciplineerd door de knooppunten en de kanalen van de kapitaaleconomie, waarvan de productie- en consumptiecycli altijd in de richting gaan van hetgeen misleidend “groei” genoemd wordt. Maar wat we “groei” noemen is in werkelijkheid winstproductie.

Volgens Georges Bataille genereren alle economieën winst en verschillen ze enkel in de wijze waarop winst afgereageerd of gelost wordt.

Kapitaaleconomieën zijn als haaien : ze moeten blijven vooruitgaan om in leven te kunnen blijven. “Vooruitgang” in de zin van marktexpansie en productdiversificatie.

Hiervoor moeten natuurlijk beschikbare individuen rondlopen, die de markt vormen en de producten kopen.

Het is dankzij de vrije tijd dat er een gegarandeerde aanvoer van consumenten is, die kunnen gaan shoppen, schoenen passen, films zien, muziek beluisteren, enz.

Aldus lanterfantte N*A*O*,

‘Otium est pulvinar diaboli (V)’,

ISS, 22 december 2009

maandag 21 december 2009

N*A*O*'s Nietsdoen (IV)

N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, …

… ging vandaag werken… en op geen enkel ogenblik was dat vervelend.

Dat betekent dus dat de Naamloze vandaag niets deed – in de betekenis van iets anders doen dan werken ; niet in de betekenis van luieren.

In die zin ging N*A*O* vandaag niet werken.

En na zijn niet werken ontmoette hij op de tram huiswaarts een letterlijk en figuurlijk oude vriend (die jong van geest bleef) met een goddelijke naam (zeker voor al de andere atheïstische vrienden), die onlangs zijn ribben brak en met dat ongeluk het geluk had tijdelijk niet meer te moeten gaan werken. (Dankzij het “moeten” in de vorige zin, weet u dat hij ook weer niet zo oud is.)

-4-

N*A*O*’s werk vandaag was niet vervelend, omdat hij een echte nietsdoener is.

Een echte nietsdoener ervaart – in tegenstelling tot de luiaard, de treuzelaar of de verveelde – geen conflict of blokkering tussen verlangens en verlangens met betrekking tot deze verlangens. Hij verstaat dat niet werken en niet-werken tegenpolen zijn en dat het geniale van nietsdoen niet in het vermijden van werk ligt, maar eerder in de constructie van een waardesysteem compleet los van werk.

Bertrand Russell hervormde de esthetische Wildeaanse nietsdoener tot een ethische nietsdoener door de interne tegenstrijdigheid van werk bloot te leggen, maar uiteindelijk ondermijnde hij zijn eigen project omdat hij de werkethiek trouw bleef en onvoldoende onderscheid maakte tussen nietsdoen (niet-werken) en luiheid (niet werken).

Søren Kierkegaard voorzag een dergelijke kortsluiting en, sluw als hij was, plaatste hij het esthetische en het ethische op gelijke hoogte. En dat maakt van “Of/Of” juist zo’n geniaal boek.

De esthetische nietsdoener is al tijden lang bekend. De karakteristieke negentiende eeuwse steedse dandy nietsdoener, de flaneur, is zeer aantrekkelijk. De flaneur maakt van nietsdoen een kunstvorm. Hij cultiveert verfijnde smaak en delicate perceptie en oordeel, liefst doordrongen van zorgeloze geestigheid.

Vanuit deze optiek is Russells tactische herwaardering naast de kwestie en zelfs een naargeestige toevoeging.

Alleen als men werk als karakteristiek voor het menselijk leven beschouwt, en dus werk en nietsdoen aan elkaar tegenstelt, komt men op het idee om nietsdoen te verwerpen of juist tactisch te verdedigen.

Maar Kierkegaard bestempelt amusement als het meest goddelijke kenmerk van de mensheid en creëert daarmee andere tegenpolen : in plaats van nietsdoen wordt verveling de vijand.

Het is niet door minder hard te werken of door de verschrikkingen van werk aan te tonen dat men een niet verveelde nietsdoener wordt, zelfs al is het overduidelijk dat het werk in kwestie echt waardeloos is.

Hoe dan wel ?

In elk geval niet door de hedendaagse sport van de “vrije tijd” te cultiveren, nog zo’n veel voorkomend misverstand.

Om een voorbeeld te geven : morgen gaat N*A*O* bas spelen. Is dat “vrije tijd” of is het nietsdoen ?

Morgen weten we meer…

Aldus lanterfantte N*A*O*,

‘Otium est pulvinar diaboli (IV)’,

ISS, 21 december 2009

N*A*O*'s Nietsdoen (III)

N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, …

… deed vandaag het perfecte niets : dat wil zeggen dat hij iets anders deed dan werken.

Door de sneeuw en met tram 3 en dan tram 2 naar ‘De Singel’ naar Jan Lauwers’ ‘Needcompany’ naar “Sad face/Happy face”. Eerst naar “De kamer van Isabella”, dan naar het tragere “De Lobstershop”, om te eindigen met het extreem trage “Het Hertenhuis”. Dan weer door de sneeuw en met tram 6 en bus 621 huiswaarts.

Nietsdoen is geen luiheid…

-3-

Gisteren beleefde N*A*O* nog wat Anneke in “Het Hertenhuis” zei : “Een begrafenis is de enige sociale gebeurtenis waarbij het ritueel in elke cultuur onveranderbaar vastligt en gerespecteerd wordt. Misschien is het ware gevoel dat bij een begrafenis overheerst, het enige dat alle culturen samenhoudt : het verdriet. Niet het geluk.”

N*A*O*’s tante Ludwine, die gisteren begraven werd, was een begenadigd zangeres. Op haar begrafenis werd gezongen, net als in “De kamer van Isabella” vandaag.

Jan Lauwers deed een belangwekkende poging om het zangritueel in ere te herstellen. Naast de tergende begrafenisrituelen in "De Lobstershop" en in "Het Hertenhuis".

Iemand die nietsdoet is geen luiaard.

Een luiaard is geen echte nietsdoener omdat hij zich bezig houdt met het vermijden van werk. En zolang dat het geval is, blijft ook de dominantie van werk onaangetast ! Werk overheerst zolang, of beter, vooral wanneer het ontweken wordt.

De luiaard staat dichter bij de treuzelaar dan bij de nietsdoener. Treuzelen impliceert een blokkering tussen verlangens van de eerste orde en verlangens van de tweede orde. Willen iets willen doen, zonder te vinden wat.

Treuzelen is vergelijkbaar met de verveling, die dezelfde blokkering kent. ("Het Hertenhuis" bevatte, jammer genoeg, ook zeer veel verveling. N*A*O* deed niets, d.w.z. oefende zich in het verdragen.)

Het verschil tussen treuzelen en verveling is hoe de blokkering ervaren wordt. Bij treuzelen is het de last van het uitstellen en bij verveling de last van het niet geprikkeld zijn.

In feite combineert de luiaard de twee modaliteiten van verveling én uitstel in één ervaring : de uitvlucht.

Alledrie blijven ze gevangen in de mislukking, zowel in hun eigen ogen, als in die van hun werkgevers.

Jammer genoeg verwarde ook Bertrand Russell “nietsdoen” en “luiheid”, omdat hij beide woorden constant dooreen gebruikte. Hij bleef dus de taal van de werkethiek gebruiken, zelfs al deed hij dat satirisch.

Maar de nietsdoener is niet lui. Luiheid is voor luiaards.

Aldus lanterfantte N*A*O*,

‘Otium est pulvinar diaboli (III)’,

ISS, 20 december 2009

zaterdag 19 december 2009

N*A*O*'s Nietsdoen (II)

N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, …

… begroef vandaag in Kortrijk zijn deze week plots overleden tante Ludwine.

Deze dame vertegenwoordigde voor de Naamloze ontheemde in Antwerpen een zeker exotisme. Haar conversatie was nooit saai. De laatste jaren zweeg ze. Ook over haar fysisch Dasein…

-2-

N*A*O*’s tante, die over onthaasting sprak jaren vooraleer het concept modieus werd, zou verveling nooit verwarren met nietsdoen, waarvan zij het belang dus begreep.

Nochtans is de werkethiek en de veroordeling van het nietsdoen wijdverspreid in West-Vlaanderen. Geworteld in de nog oudere opvatting dat somber nietsdoen een zonde is en een belediging van Gods genade. Het gemeenschappelijke idee in zowel de seculiere als de religieuze versie van deze veroordeling is dat wanneer men niet bezig is met iets nuttig – wanneer men niet een of andere winst nastreeft, geld of status of vooruitgang op zijn levenspad – men dan aan het mislukken is : ten opzichte van zichzelf, van de samenleving, het opperwezen, of ten opzichte van alledrie.

Veel filosofen hebben de vooronderstellingen van deze visie ontkracht. In “In Praise of Idleness” verdiepte Bertrand Russell bijvoorbeeld eerder esthetische argumenten ten voordele van het nietsdoen in de stijl van Oscar Wilde’s waardeomkeringen.

Volgens Russell bestaan er twee soorten werk. De eerste soort is het veranderen van de relatieve positie van materie op aarde ten opzichte van andere gelijkaardige materie. De tweede soort is andere mensen zeggen dit te doen. De eerste soort is onaangenaam en slecht betaald. De tweede aangenaam en zeer goed betaald. De tweede soort kan ook oneindig uitgebreid worden : er zijn mensen die bevelen geven, maar ook mensen die adviezen geven over welke bevelen gegeven moeten worden.

Gewoonlijk worden tegelijkertijd twee tegengestelde soorten advies gegeven door twee organisaties, hetgeen politiek genoemd wordt. De vaardigheid die men voor dit werk moet bezitten is niet kennis van de onderwerpen waarover advies gegeven wordt, maar kennis van de kunst van het overtuigen, dus van reclame.

Het misprijzen van het nietsdoen in de werkethiek is niet alleen veroordelend, maar ook stom en schadelijk. De gehanteerde waardeschaal is gebaseerd op een dikke laag elkaar versterkende filosofische fouten en machtsverhoudingen.

Tot daar aan toe. Maar het probleem is dat de bevrijding van nietsdoen van de werkethiek tegenwoordig het belangrijkste doet vergeten en het nietsdoen onlosmakelijk met werk verbindt als de negatie ervan. Zoiets noemt men “dialectische assimilatie”…

Zolang men nietsdoen beschouwt als niet werken (dus niet als niet werken omdat men andere dingen doet), blijft het begripsmatig schatplichtig aan werk als dat wat het niet is. Niet werken als er niet in slagen te werken.

Aldus lanterfantte N*A*O*,

‘Otium est pulvinar diaboli (II)’,

ISS, 19 december 2009