2019... Muss Es Sein Es Muss Sein

Posts tonen met het label Vlaanderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vlaanderen. Alle posts tonen

vrijdag 13 maart 2009

Dietse Direct Democratische Republiek


N*A*O*, de naamloze achter ons, heeft gezegd :

Toen N*A*O* onlangs een gazet nodig had om zijn glazen bol in te pakken, kreeg hij van zijn buren De Morgen van 5 jan. 2009. Onthutst viel zijn oog op de titel van Rudy Aernoudts stukje ‘Waarom regionalisten niet van Jacques Derrida houden’, waarin het Gravensteenmanifest ‘gedeconstrueerd’ zou worden. 

Het is natuurlijk niet omdat de Naamloze regionalist is en wél van Derrida houdt, dat hij zich moet inlaten met iemand als Aernoudt.

Toch kan N*A*O* het niet laten enkele vragen te stellen bij deze specifieke vorm van populisme, die niet alleen unitaristisch is, maar die zich vooral richt tot intellectuelen !

I.

Zijn intellectuelen dan gevoelig voor populisme ?

Welnu, intellectuelen zijn geen intellectuelen meer, juist omdat ze in de derridaanse postmoderniteit geen algemeen geldende uitspraken meer mogen doen en dus gedegradeerd werden tot het statuut van de vertaler-tolk.

Hierdoor groeide in hen een sterk verlangen naar institutionele en mediatieke bevestiging en erkenning, zodat ze zich afhankelijk opstellen als persmedewerkers en staatsexperten.

Aernoudt zelf beantwoordt aan dit profiel omdat hij ondanks zijn neo-liberale staatshaat, een verstokte cabinetard is.

De vraag is nu waarom een postmoderne niet-intellectuele staatsintellectueel zich tot zijn soortgenoten richt om hen van zijn unitarisme te overtuigen ?

Waarom denkt hij : ik zal zeggen wat ze denken ; zij zullen mij als hun vertegenwoordiger zien ?

Het lijkt absurd, want al deze niet-intellectuele gediplomeerden worden toch al vertegenwoordigd door het volledige belgicistische establishment ? Want er wordt toch al voldoende rekening gehouden met hen ?

Een mogelijk antwoord kan zijn dat Aernoudt niet eens een niet-intellectuele intellectueel is, maar enkel een would-be.

Hij stapelt immers nogal opzichtig diploma’s op, en vooral het laatste, pas in 1992 aan de KUL behaalde Master in de filosofie, sterkt dit vermoeden. Voor iemand met zo’n grote diplomaverzamelwoede is dat echt niet zo moeilijk.

Om deze hypothese te toetsen was het nodig dat de Naamloze Rudy’s schrijfsel van naderbij bekeek.

En het blijkt inderdaad vol kemels te staan.

II.

De eerste twee zijn van logische aard.

In zijn relatief lang inleidingetje suggereert Aernoudt een te absoluut inhoudelijk verband tussen Etienne Vermeersch als co-auteur van ‘De rivier van Herakleitos’ én als mede-opsteller van het Gravensteenmanifest. Volgens Aernoudt miskent Vermeersch in zijn filosofieboek Derrida omdat de laatste de vervalsingen en het gebrek aan relativisme van de eerste aan het licht zou brengen. Goed, waarschijnlijk heeft Aernoudt meer diploma’s dan Vermeersch, maar hij gaat toch in de fout door te suggereren dat Vermeersch’ aanwezigheid in het Gravensteenredactiecomité de oorzaak is van de waardeloosheid van het manifest.

Logisch fout én bovendien getuigend van een gebrekkig relativeringsvermogen.

Voorts plaatst Aernoudt naast de miskenning van Derrida’s relevantie door Vermeersch het succes ervan op Google, en leidt er de bekrompenheid van Vermeersch én opnieuw van de Gravensteengroep uit af.

Een logische drogredenering van jewelste.

Dan volgen nog een hele resem inhoudelijke nonsens.

De algemene stelling van Aernoudt is namelijk dat het Gravensteenmanifest uitgehold wordt door Derrida’s filosofie. Maar wat hebben beide eigenlijk met elkaar te maken ? In elk geval legt Aernoudt dat nergens uit : op geen enkele plaats wordt bijvoorbeeld een vergelijking gemaakt tussen verschillende interpretaties van eenzelfde idee.

Aernoudt zwiert blijkbaar gewoon wat met de naam Derrida om indruk te maken.

Ook Aernoudts ontkrachting van drie lukraak gekozen stellingen uit het manifest zijn zo belachelijk, dat N*A*O* het ervan in zijn broek deed.

Omdat in het manifest een zin geciteerd wordt die afkomstig is van een separatistische partij, wordt zogezegd mét Derrida besloten dat ook de Gravensteengroep separatistisch is.

Dit ‘deconstructie’ noemen is behalve achterlijk, ook een verkrachting van Derrida !

Kent Aernoudt Derrida eigenlijk wel ? Hij schrijft namelijk dat Derrida het gesproken woord boven het geschrevene verkoos en dat doet Derrida juist niet, ten onrechte trouwens, volgens N*A*O*. Derrida noemt zichzelf weliswaar eerder een spreker dan een schrijver, maar hij voegt er dan wel aan toe dat spreken een soort schrijven is.

Moest de Naamloze zich niet meer hoeven bezig houden met dergelijke onnozelheden, dan zou hij eindelijk eens tijd hebben voor de popanalyse van het in 1982 door Scritti Politti uitgebrachte rocknummer ‘Jacques Derrida’ en vooral van de zin : “I’m in love with a Jacques Derrida / Read a page and know what I need to / Take apart my baby’s heart / I’m in love.” N*A*O* is er bijna zeker van dat de band zich in de lijn van Derrida zelf verzet tegen de idee van de zangstem als authentieke expressie : integendeel, het is een schizo-stem !

(Als popanalyst vermoedt de Naamloze trouwens dat Derrida op dit punt veel gepikt heeft van Lacan en kan hij er wel degelijk inkomen dat een koele kikker als Vermeersch er niet teveel bladzijden aan vuil wil maken.)

Vervolgens haalt Aernoudt aan dat het Gravensteenmanifest de onschendbaarheid van taalgrenzen vraagt. Dat klopt. Maar dan haalt hij zichzelf onderuit door weer met Derrida af te komen, die natuurlijk niets over taalgrenzen zei, maar wel degelijk de natiestaat relativeerde als verouderd. En dat België verouderd is, is nu juist het vertekpunt van de Gravensteengroep, die, net als Derrida, het belang van een internationale rechtsorde, maar ook specifiek van Europa benadrukt.

We zagen al eerder dat Aernoudt zélf weinig relativeringsvermogen heeft. Wat zou dan het volgend zinnetje betekenen : “Rechtvaardigheid heeft te maken met individuele mensen, niet met groepen” ?

Op juridisch, maar ook op bijvoorbeeld multicultureel samenlevingsvlak, komen we hiermee in geweldig interessante discussies terecht, die Derrida trouwens in zijn werk ‘Kracht van wet’ rechtstreeks, maar tegelijk zeer abstract, aanpakt. Hij stelt vast dat recht de enkeling slechts bereikt via de omweg van de universele norm. Maar Derrida bekritiseert daarmee niet de wet, wél de ‘kracht’ van de wet.

Dergelijke ideeën zijn echter gevaarlijk in de handen van een sujet als de hyperliberale Aernoudt. In zijn pollen zal de wet algauw een ‘schriftelijk’ vodje papier worden, zodat het recht van de sterkste zegeviert.

N*A*O* hechtte nooit waarde aan zijn vaders uitspraak dat te moeilijke boeken gevaarlijk konden zijn, maar in ’t geval van Aernoudt blijkt daar toch iets van te kloppen. De cabinetard snapt gewoon niet dat Derrida’s enkeling een abstract geval is, dat niet eens samenvalt met een van al zijn kleren én waarden ontdaan individu : achter élk van ons staat immers… de Naamloze ! Wetende dat hij niet meer is dan de naamlozen achter hem, zou Rudy dan nog weten voor wie van hem/hen recht geldt ?

Nee, Rudy is geen voorzichtig man, in tegenstelling tot Derrida, die bijvoorbeeld in zijn princiepsakkoord met het ‘BRussells Tribunal’ dit stipuleert : “Ik denk dat je de politieke theologie van de soevereiniteit moet deconstrueren door een filosofische en historische analyse. Het is een enorme filosofische taak – en hierbij moet je alles herlezen, van Kant tot Bodin, van Hobbes tot Schmitt. Maar je kunt ook niet pleiten voor de totale afschaffing van elke soevereiniteit. Dat is onrealistisch en zelfs niet wenselijk. Er zijn vormen van soevereiniteit die in mijn ogen nog politiek nuttig kunnen zijn in het gevecht tegen bepaalde internationale machtsconcentraties.”

Zo simpel is het dus blijkbaar niet. Een enorme filosofische én historische analyse ! Moest Rudy kunnen lezen, N*A*O* kocht hem Johan Sanctorums ‘De Vlaamse republiek : van utopie tot project.’

Aernoudt doet nogal lacherig over Vermeersch’ opmerking dat Derrida lezen neerkomt op zelfkwelling. Misschien valt Derrida best te lezen als men niet kán lezen, zoals Rudy. De Naamloze kan in elk geval wél lezen en toen hij tijdens zijn eerste reis doorheen onze bakermat, Derrida’s dikke ‘La carte postale’ wilde doorploegen, raakte hij effectief niet heel ver. Derrida had misschien wel de helft van alle regels onleesbaar gemaakt ! Tot zijn eigen schaamte is N*A*O* toen overgegaan tot zijn eerste strandboekverbranding.

Tenslotte probeert Aernoudt een derde stelling te ‘deconstrueren’ : “De taalgrens heeft de kracht van een staatsgrens.”

Het is daarbij al heel doorzichtig dat Rudy, die reclame maakt voor derridaanse gastvrijheid, het voorbeeld neemt van een Poolse eurocraat, en niet van een Arabische volbloed.

Rudy is niet tégen het principe ‘dura lex, sed lex’, als het maar flexibel genoeg is waarschijnlijk. En daarom kiest hij resoluut voor de derridaanse onvoorwaardelijke gastvrijheid. Jammer genoeg ként hij Derrida’s opvatting niet.

Derrida schrijft in zijn boek over gastvrijheid : “Hoewel er geen gastvrijheid in klassieke zin bestaat zolang het eigen ik thuis niet soeverein regeert, kan de gastvrijheid evenmin bestaan zonder grenzen, en deze soevereiniteit kan dan ook alleen maar uitgeoefend worden als er geschift en gekozen wordt en er dus ook sprake is van uitsluiting en dwang.” Hij schrijft ook : “Maar ook al staat de onvoorwaardelijk wet van de gastvrijheid boven de wetten van de gastvrijheid, ze kan niet zonder die wetten, ze annexeert ze.”

En hoewel Rudy dweept met die ene onvoorwaardelijke wet, accepteert hij inderdaad – zonder te weten wat hij doet – zélf wetten en voert er zelfs in.

Op korte termijn wellicht moet de Poolse eurocraat bediend worden, waarvoor het onverstaanbare Vlaams zeker niet kan dienen. Op middellange termijn getuigt het dan weer van elementaire beleefdheid dat Fatima de moeilijke taal van de meerderheid onder de knie krijgt. En op eeuwenlange termijn wil hij van België zelfs terug een meertalig land maken, beginnend bij het onderwijs.

Wetend dat de franstaligen deze oorspronkelijk Vlaamse eis altijd verworpen hebben, is het zeer begrijpelijk dat ze Rudy van de MR-lijst gezwierd hebben.

(Slim als ze zijn deden ze dat onder het mom dat de Vlaamse Aernoudt weer te rechts was.)

N*A*O* vindt dus veel aanwijzingen dat hetgeen Aernoudt schrijft pure kul is.

III.

Omdat men uit de titel van Aernoudts laatste KUL-masterthesis ‘De grenzen van de economie : een deconstructieve analyse’ zou kunnen afleiden dat Rudy een Derrida-kenner moet zijn, blijft  N*A*O* toch  met de vraag zitten : wat is er loos ?

Misschien bezocht Aernoudt om zijn thesis te kunnen schrijven de website van ‘Communications from Elsewhere’, waarop men een machine vindt – de ‘postmodernism generator’ - die ingewikkelde derridaanse teksten fabriceert : http://www.elsewhere.org/pomo , en valt hij nu pas door de mand ?

Ofwel kent hij wel degelijk Derrida en schreef hij voor deze ene keer in De Morgen deze complete nonsenstekst, omdat de postmoderne niet-intellectuele staatsintellectueel toevallig juist tóch gevoelig is voor unitaristisch populisme ?

Recent schreef David Van Reybrouck zijn ‘Pleidooi voor populisme’, waarin deze wel degelijk een intellectueel populisme, dit wil zeggen een door intellectuelen bedreven democratisch of verlicht populisme verdedigt, namelijk om de kloof tussen het volk en de gediplomeerden te dichten.

Het is weer mogelijk dat Rudy ook deze tekst verkeerd las en niet doorhad dat het de intellectuelen zijn die actief populist moeten worden en er niet zélf gefascineerd door moeten raken om hun intellectualisme kwijt te spelen.

Maar er kan ook iets anders aan de hand zijn.

Sinds de staatsintellectuelen het klootjesvolk aan zijn lot overlieten en in handen gaven van de populisten, werd misschien een ‘point of no return’ overschreden, althans in de fatale wanen van onze gediplomeerden.

Zij lijken zich zeker niet te haasten om op Van Reybroucks pleidooi in te gaan en voelen zich blijkbaar zo machteloos dat ze zélf gevoelig worden voor populisme.

(Het zijn dan inderdaad ook geen onafhankelijke intellectuelen…)

Wat Van Reybrouck voorstelt is eigenlijk niets meer dan een ‘Positive Parenting Program’ ter ‘empowerment’ van de opvoeders van het gedragsgestoorde kind Vlaanderen.

Een beetje liefde zou al veel doen, maar nee, het is zoals Luc Van Doorslaer schrijft : “Deze houding is symptomatisch voor de onwil van een deel van links om zelf vorm en inhoud te geven aan Vlaanderen. Er is uiteraard geen enkele rationele reden denkbaar waarom Vlaanderen ‘van nature’ substantiëel rechtser zou denken dan andere landen of regio’s (dat zou pas een tegen racisme aanschurkende deterministische logica zijn). (..) Het is precies de angst van links voor de entiteit Vlaanderen, die de geloofwaardigheid grondig aantast. Vanuit die vrees voor Vlaanderen wordt dan soms zelfs gekozen voor het verankeren van de Belgische restauratie, voor het ongedaan maken van sommige hervormingen. Voor de contrareformatie dus.” (in : Sanctorum, o.c.)

Het is dus evengoed mogelijk dat Aernoudt inziet dat de geloofwaardigheid van de Vlaamse Republiek nood heeft aan haar onafhankelijke intellectuelen en dat hij daar een stokje wil tussensteken.

Ook Ludo Abicht roept de steun van intellectuelen in, wanneer hij waarschuwt dat de Vlaamse ontvoogdingsstrijd typische ‘neokoloniale’ aspecten vertoont : inefficiëntie, een nieuwe bestuurscultuur die zich spiegelt aan de oude, vriendjespolitiek, nepotisme, bureaucratie… (in : Sanctorum, o.c.)

En omdat de Vlaamse Beweging duidelijk niet de taal van de macht spreekt, zal ze bovendien moeten samengaan met sociale bewegingen.

Rudy’s sirenenzang dient dan natuurlijk om potentiëel geïnteresseerde intellectuelen fataal om te leiden.

IV.

N*A*O*’s vragen bij Aernoudts unitaire populisme, zijn ondertussen veranderd in een waarschuwing.

Het gevaar van elk populisme is dat het serieus bijdraagt aan de verrotting van de problemen door de enorme simplificaties en reducties die het uitvoert.

In deze termen komt het er dan op neer om niet zomaar gemakkelijk voorgestelde oplossingen, hetzij van unitaire, hetzij van separatistische signatuur, te slikken, maar om voorzichtig en nauwkeurig de merites te beoordelen van twee toekomstprojecten, namelijk een onafhankelijk Vlaanderen en een reëel tweetalig België.

De Naamloze kent echter geen verdedigers van dit laatste project, dat dan ook niet echt lijkt te bestaan en dus niet met het andere project kán vergeleken worden.

Een werkelijk tweetalig België is natuurlijk heel wat anders dan het invoeren van een gedeeltelijk unitaire kieskring, zoals Aernoudt en andere belgicisten dat voorstaan. Een dergelijke minimale aanpassing dient enkel om het status quo te verdoezelen. En dat deze nieuwe kieskring meteen geneutraliseerd wordt door middel van de pariteit demonstreert opnieuw de ondoorzichtigheid en de democratievervuiling van de Belgische constructie.

Eigenlijk is het begrijpelijk dat er geen échte Belgen zijn. Hierover raadplege men zowel ‘N*A*O*’s Korte geschiedenis van België’ als Brecht Arnaerts ‘2080, Het jaar van de (l)eeuw ?’ (in : Sanctorum, o.c.) Niet alleen bestond in de negentiende eeuw in alle prille natiestaten een democratisch deficit, maar specifiek voor de geboorte van Belgie was dat het een geslepen poging was van Frankrijk om het gebied, dat het in 1795 geannexeerd had, maar in 1915, hier, te Waterloo, al weer afgepakt werd door de gealliëerden, alsnog in te palmen, zij het deze keer economisch, naar de geest van de nieuwe tijd. Leopold I schreef : “België bestaat als staat enkel en alleen omwille van zijn koning (..) die het behoedt voor een onmiddellijk uiteenvallen of misschien zelfs een burgeroorlog.”

Dit verklaart het onbestaande burgerschap van de Belg.

Net zoals een individu pas gezond wordt wanneer hij zijn pulsies erkent, kan een democratische politiek niet zonder een soeverein volk. Democratie betekent immers niet alleen vrijheid, maar ook gelijkheid ; en gelijkheid impliceert een vergelijking. Gelijkheid is relationeel : men identificeert zich met een ‘wij’, dat automatisch een ‘zij’ met zich meebrengt. Een echte democratie werkt maar als er echte tegenstellingen zijn.

Door deze tegengestelde pulsies te ontkennen, onderandere door middel van de surrealistische consensus die België heet, zal men ze ook niet buiten spel zetten.

Men dénkt ze buiten spel te zetten, door ze letterlijk ‘buiten’ te zetten, op straat bij extreem-rechts, door ze met andere woorden te diaboliseren.

De liberale obsessie met grenzen en met identiteit is absurd. Grenzen zijn niet zo slecht : ze maken relaties en solidariteit mogelijk, zoals Derrida al opmerkte. Grenzen kunnen geopend worden.

Dankzij het neo-liberalisme zijn we in de postmoderne postpolitiek gesukkeld, waarin alle problemen blijkbaar van technische aard zijn, zodat ze alleen door staatsintellectuelen opgelost kunnen worden, niet door échte politici, laat staan door het volk !

Het volk… dat zo in handen kwam van de populisten.

Met het volk moet men natuurlijk oppassen. Men moet er nu ook niet mee beginnen dwepen, zoals de Beierse koning Ludwig werkelijk verliefd wordt op zijn lakei Volk (in : Visconti’s ‘Ludwig’).

Tegenover het volk moet men afstand bewaren. Dat kan door erover te discussiëren. Waarschijnlijk is het volk ook niet onveranderlijk en is enig pragmatisme niet slecht. Op het eerste zicht is N*A*O* wel gecharmeerd door Huub Dijstelbloems alternatief concept van ‘publiek’.

In elk geval moet het ‘volk’ erkend blijven en niet overgelaten worden, samen met de ‘natie’, aan rechts !

V.

Aangezien het unitair Belgische project niet bestaat, kan men er ook niet onvoorzichtig mee omgaan.

Zo wordt het N*A*O* dus gemakkelijk gemaakt, nu hij toch op dreef is, om zich alleen bezig te houden met de toekomstige Vlaamse Republiek.

Waarom nu ?

Moeten we ons in tijden van crisis nog bezighouden met oppervlakkige communautaire problemen ?

We bevinden ons inderdaad aan het begin van een diepe recessie, zoals de rest van de wereld. In rocktermen bevinden we ons terug begin jaren ‘80, toen men zei : ‘No future !’

En daar ligt juist het verschil. Op nationaal vlak is het momenteel zoals overal elders ter wereld bang afwachten en is er weinig toekomst.

Maar dankzij onze communautaire, id est democratie-problemen bestaat in België wel degelijk een toekomst, namelijk deze van de Vlaamse (en de Waalse) Republiek. Bij ons is er daarom toch werk aan de winkel.

In het westen hebben de neo-liberalen de postpolitiek ingevoerd : economische experts deden het casinokapitalisme draaien en plunderden het buitenspel gezette volk. Links en rechts deden er niet meer toe. Iedereen was blijkbaar akkoord. Het systeem crashte en nu bevinden we ons letterlijk in de ‘post’-fase. De zakken zijn gevuld. De staat mag terug op de voorgrond komen. Maar de leiders weten van geen hout pijlen maken, want ze weten niet eens of ze links of rechts zijn.

Alleen is het in België nog wat erger. Omdat de ingewikkeldheid van haar communautaire structuren effectief experts nodig heeft om het land te leiden, hetgeen onmogelijk geworden is voor gewone politici, is België niet alleen een surrealistisch, maar ook een postmodern land. Het ‘einde van de geschiedenis’ en de ‘val van het ijzeren gordijn’ vonden in ons land al plaats in 1830. Marx was er zelf verwonderd over.

Men heeft het Leterme en co genoeg verweten : dat ze niet meer ingewijd waren in het Brussels-Belgisch netwerk.

Welnu, wanneer het systeem ‘te moeilijk’ is geworden voor gewone politici, die ons vertegenwoordigen, en nood heeft aan experts, die wij niet verkozen, dan moet het systeem dringend aangepast worden.

Dus dankzij onze communautaire strubbelingen hoeven wij niet bij de wereldeconomische pakken te blijven zitten en kunnen we voluit gaan voor politieke vernieuwing.

In tijden van angstige stagnatie zal deze Vlaamse politieke bedrijvigheid bovendien aanstekelijk werken en zullen we onze buren op ideeën brengen.

Waarom nu ?

Nog een tweede antwoord : omdat de gewone staatshervorming te geleidelijk gaat en het establishment teveel de tijd geeft om zich te adapteren en Vlaanderen te recupereren, is het revolutionair elan hoogst noodzakelijk.

DUS :

Omdat deze nieuwe republiek een antwoord moet trachten te bieden op de nieuwe sociale problemen : zoals op de toenemende onmacht van de overheid en op de globalisering door dichter bij het volk te staan ; zoals op de impact van het casino-kapitalisme en het verval van onze verzorgingsstaat door resoluut voor een hyperborreïsch sociaal model te kiezen ; zoals op de verdergaande pogingen van het Brusselse kapitalistische establishment om België uit te melken door hen te verbannen.

Omdat Vlaanderen zijn verleden van gekoloniseerde slechts te boven kan komen door het democratisch deficit aan te pakken door de democratie te verdiepen en de parlementaire vertegenwoordiging aan te vullen met een direct-democratische onderbouw.

Omdat de Vlaamse republiek tegelijk de nationale soevereiniteit relativeert en naar Europa kijkt, als opstap naar een wereldregering, maar tegelijk van het ondemocratische en asociale Europa de grootste tegenstand moet verwachten, dient het front te vormen met andere lidstaten en regio’s en kan het juist toonaangevend worden in Europa én dus in de wereld !

Om al deze redenen prefereert N*A*O*, de Naamloze Achter Ons, het Nihilistisch Anarchistisch Offensief, voor het onafhankelijke Vlaanderen de door Koenraad Elst gesmede republieksnaam ‘Dietse Direct Democratische Republiek’ ofte ‘DDDR’ [1] - [2].

 Aldus sprak N*A*O*,

‘Eerste Waalse Bergrede’,

Waterloo, 4 maart 2009

[1] In : Sanctorum, o.c.

[2] Voor Wallonië, de naaste buur waarmee het nieuwe Vlaanderen goede betrekkingen en een intense solidariteit dient te ontwikkelen, opent zich hiermee de mogelijkheid om zich broederlijk tot WDDR uit te roepen.

On n’est demandeur de rien

N*A*O*, de naamloze achter ons, heeft gezegd :

Zojuist zijn een man en een vrouw heengegaan. Voor de Naamloze blijven ze een rol spelen.

Jaap Kruithof verloor een pak vrienden – die men pas kent wanneer men zich als regionalist uit – wanneer hij onder andere op basis van het argument dat alle westerse staatsgrenzen ondemocratisch tot stand kwamen, aan die grenzen wenste te tornen en een zelfstandig Vlaanderen als een toekomstige zekerheid bestempelde.

Van Patricia De Martelaere las N*A*O* het laatst “Wittgenstein en Derrida : taalspel en deconstructie” in het lentenummer van ‘De Brakke Hond’ van 2006. Haar laatste zin is : “Spraken ze maar elkanders taal.”

I.

Ter aandenken aan Patricia deconstrueert de Naamloze nog eens een artikel : deze keer Luc Huyses bespreking van Sanctorums ‘De Vlaamse Republiek : van utopie tot project’ in De Morgen van 31 januari 2009.

Huyse vangt aan met de opmerking dat Vlaamse separatisten hun liefde voor Vlaanderen uiten in een dichte mist, waarin men geen oplossingen vindt voor Brussel, noch zicht krijgt op de kosten en baten van een scheiding, noch op de internationale verdragsrechterlijke gevolgen.

Een andere vraag blijft het voor Huyse welk soort Vlaanderen wij onafhankelijk willen zien worden. Het feit dat men in Sanctorums boek daar geen antwoord op wíl geven, lijkt Huyse een pleidooi voor een kat in een zak. Het zou wel eens kunnen, zegt hij, dat wanneer de separatistische mist wegtrekt de ‘donkere kant’ ervan aan het licht komt.

Dan pas bekijkt Huyse het hoofdargument van het besproken boek : de Belgische constructie is democratievervuiling. Deze frustratie gaat terug op de politieke desillusie van de Vlaamse beweging. Omdat Vlaanderen in de toekomst toch demografisch dominant zou zijn, remden pragmatische Vlaamse politici de volledige zelfstandigheid af. Maar ze lieten zich inpakken, zodat die Vlaamse dominantie door drie ingrepen geneutraliseerd werd. Ten eerste door de pariteit van de federale regering. Ten tweede de alarmbelprocedure waarmee een taalgroep in het parlement de behandeling van een ontwerp of voorstel kan stilleggen. En tenslotte de noodzakelijke bijzondere meerderheden voor wetten die raken aan het samenleven van beide taalgroepen.

Huyse zegt dat deze frustratie ontstaat uit het valse geloof dat in een democratie de meerderheid regeert.

Dat is zo geeft Huyse toe, maar alleen wanneer meerderheid en minderheid veranderlijk zijn ten gevolge van verkiezingen. Wanneer ze onveranderlijk zijn op demografische of etnische gronden, dan geldt de meerderheidsregel niet en ontstaan blokkeringmogelijkheden voor minderheden.

Huyse sluit af met de vraag of de separatisten zélf wel de meerderheidsregel accepteren ? Het lijkt er immers op dat de meerderheid der Vlamingen geen scheiding wil !

(Huyse twijfelt hieraan aangezien bepaalde Vlaamse kringen jarenlang de Zuid-Afrikaanse apartheid verdedigden…)

II.

De deconstructie van Huyses tekst begint natuurlijk bij zijn laatste schimpscheut, dat een soort argumentum ad hominem is of misschien een lapsus : separatisten vindt men in elitaire racistische kringen.

En achter deze drogredenering schuilt nog een andere : de te snelle veralgemening van het ‘post hoc, ergo propter hoc’ ofte de valse oorzaak. Sommige separatisten zijn racistisch, racisme is de oorzaak van separatisme. En dit is ernstiger.

Deze valse redenering merkte N*A*O* trouwens al eerder in de tekst. Wanneer hij het donkere maatschappijbeeld van de separatisten oproept, doet Huyse dat door een idee van Sanctorum zelf uit zijn context te rukken. Terwijl deze laatste Lijst Dedecker, NVA en Vlaams Belang als geuzen ten opzichte van het establishment identificeert en daarmee niet meer doet dan constateren dat zij dichter bij de Vlaamse burgers staan, betonneert Huyse de idee. Wat een uitgangspunt zou kunnen zijn, wordt een eindpunt. Aangezien Sanctorum én bij uitbreiding het Vlaamse volk van geuzen houdt, zijn het allemaal zwarten.

Het feit dat Huyse zo’n drogredeneringen – die hij weliswaar eerder zijdelings oppert – nodig heeft, terwijl hij ervoor toch ernstige vragen stelt, wijst op zijn beklemming en zijn zelftwijfel ten aanzien van de materie.

Uiteindelijk associeert hij Vlaming zijn met zwart en achterlijk zijn. Zijn keuze voor een voorbeeld uit zwart Afrika betekent geenszins dat hij Walen en zwarten associeert, integendeel, het betekent : wat denken jullie wel separatisten, jullie zijn zélf negers !

Onbewust verbindt hij Franstaligheid met verlichting en rede : de kosten-batenanalyse, het progressief maatschappelijk project, de subtiele ingewikkelde democratieregels…

En daarmee wordt Huyse natuurlijk zelf determinist en racist : Vlaanderen is van nature rechts, franstaligen zijn verlicht.

Huyses angst openbaart zich in een zin tussen haakjes waarin hij met begrip, maar ook met horreur vaststelt dat toen de Vlaamse beweging nog een underdog positie innam, zij met de nazi’s dweepte.

Uit grote schrik voor zijn eigen Vlaamse debiliteit, vlucht hij naar de Latijnse cultuur, niet ziend dat dit culturalisme een nieuwe vorm van racisme is.

Tot zover de deconstructie van de impliciete essentie van Huyses recensie.

III.

De twijfel van de auteur kan men afleiden van de analyse van zijn expliciete stellingen.

Op zijn vraag naar een kosten-batenanalyse van de splitsing van België, antwoordt de Naamloze driewerf.

Dergelijke boekhoudkundige analyses bestaan ten eerste al. Herman De Croos boek ‘België barst ?’ komt met 12 jaar vertraging : in 1996 schreef de Coudenberggroep ‘Cost of non-Belgium : de meerwaarde van het federale België’. Maar wat zijn we ermee ?

Ten tweede kan het behoud van het goedkopere België evenmin verbergen dat het een verlieslatend bedrijf is, zodat er een moment komt waarop de splitsing toch goedkoper zou geweest zijn. Er moet dus nu iets gebeuren. En elk goedkoper alternatief moet bovendien de garantie bieden dat de eis voor autonomie definitief opgelost wordt.

N*A*O* herinnert zich ten derde toch niet dat men een kosten-batenanalyse voorstelde voor de afschaffing van de slavernij ? Jamaar, hoort hij nu al roepen, de Vlamingen hebben het toch niet zó erg. Jamaar, antwoordt hij dan, de ‘houseniggers’ toch ook niet.

Huyse vindt dat men geen kat in een zak moet kopen en daarom op voorhand duidelijkheid moet hebben over het door de separatisten voorgestane samenlevingsproject.

Eigenlijk is dat een waanzinnig angstige eis.

Staan de toekomst en de progressieve maatschappijvisie van het federale België dan vast ? Reynders noemde de overwinning van zijn liberale partij MR op de socialisten bij de vorige verkiezingen een staatshervorming op zich. Gelooft Huyse dan echt dat onze federale staat iets vermag tegen de neo-liberale globalisering ?

De Naamloze begrijpt wel dat Vlaamse belgicisten eigenlijk jaloers zijn op het Franse secularisme met zijn twee grote partijen, de liberalen en de socialisten. Weg katholieken.

Maar wat zij niet zien – en zich evenmin herinneren van de geschiedenis – is dat Franstalig België nooit moeite deed om dit naar Vlaanderen te exporteren. Integendeel, het makke katholieke Vlaanderen kwam hen altijd goed uit.

(Bovendien houdt Huyse er geen rekening mee dat ook omgekeerd in het unitaire België Vlaanderen wel eens ‘negatieve’ invloed zou kunnen hebben op Wallonië. Ondertussen zijn de Walen koningsgezinder dan de Vlamingen. Ook het christelijke CDH van madame Non wint stemmen…)

Dus, zegt N*A*O*, si la Flandre veut-être républicaine, il lui faut encore un effort… de soi-même ! Als Vlaanderen vrij wil worden, in de breedste zin, niet alleen staatkundig, maar en zelfs vooral op moreel vlak, dan zal het dat zélf moeten doen.

Het antwoord op Huyses tweede vraag is dus simpel : het onafhankelijk Vlaanderen moet democratischer zijn.

Niet iemand anders moet beslissen dat Vlaanderen linkser moet zijn dan zijn eigen bevolking kiest. Eigenlijk zegt Huyse het zelf : hij vreest de Vlaamse meerderheid en is dus geen democraat.

De afschaffing van de apartheid werd toch ook niet geremd door de vraag welk Zuid-Afrika eigenlijk nagestreefd werd ?

Zo komt de Naamloze tot Huyses laatste stelling : “Waar de verhoudingen onwrikbaar zijn omdat ze op demografische of etnische gronden rusten, is de meerderheidsregel onbruikbaar. Dat is de situatie in België.” Hij vervolgt dat om in zo’n situatie geweld door de meerderheid op de minderheid te vermijden blokkeringsmogelijkheden uitgevonden worden voor de minderheid.

Samengevat zijn er in de Belgische situatie dus drie mogelijkheden. Ofwel geweldpleging door Vlamingen op Walen, ofwel blokkering van de Vlamingen door de Walen, ofwel splitsing.

Huyse beweert dat dergelijke blokkeringsmechanismes ook elders voorkomen. Dat is juist.

Wat hij er niet bijzegt is dat in die landen de facto ‘gedwongen’ consensusbesluitvorming ontstaat en aan vertegenwoordigers van de deelgebieden vetoposities verleend worden, hetgeen leidt tot een gebrek aan daadkracht, tenzij er correcties uitgevoerd worden.

Mogelijke correcties zijn federale belangengroepen, referenda of een hervorming van de senaat voor territoriale belangen (met unitaire kieskring en zonder pariteit). Ter compensatie van het verlies aan invloed op federaal niveau krijgen de deelstaten meestal een grotere fiscale en wetgevende autonomie.

In België is van zo’n correcties en compensaties geen sprake.

Huyse zegt er ook niet bij dat het ontbreken van deze correcties per saldo leidt tot een versterking van de uitvoerende macht, de regering.

Het ingewikkelde systeem van vertegenwoordiging van de deelgebieden in België stimuleert de vorming van coalities die groter zijn dan strikt noodzakelijk is in een meerderheidsstelsel.

Binnen die coalities wordt met consensus gewerkt, hetgeen niet alleen een disproportionele invloed geeft aan minderheden met veto-posities, maar ook grote druk zet op vertegenwoordigers die tot een meerderheid behoren. Wanneer immers één partij het vertrouwen in een regering opzegt, betekent dit meer dan een louter conflict tussen partijen. Meteen wordt de samenwerking tussen de deelgebieden opgezegd. De prijs om de regering niet te steunen wordt dan te groot.

Omdat de regering afhankelijk is van het vertrouwen van het parlement wordt in dit systeem de partijtucht zeer groot én de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht zeer klein.

Welnu, N*A*O* beschouwt dergelijke blokkeringsmechanismen als democratievervuiling en meer bepaald als een apartheidssysteem, waarbij een minderheid een meerderheid overheerst.

Democratie betreft inderdaad niet alleen de meerderheid, maar geeft in het bijzonder een plaats aan de minderheid. Democratie zonder oppositie is puur populisme.

Doch de democratie heft zichzelf op zodra zij de minderheid als minderheid de beslissingsmacht geeft.

Zo blijkt dat Huyses impliciete discours van meet af aan het duidelijkst was omtrent zijn drijfveren.

Als unionist staat hij voor een verlichte apartheid waarin de ‘francophonie’ – een zeer veel gebruikt woord in de Waalse pers - ondanks haar minderheidspositie voorbestemd is te regeren over de Vlaamse zwarten.

IV.

Onder één punt komt de Naamloze echter niet uit.

Voorlopig kiest de Vlaamse meerderheid niet voor de splitsing.

Gevolg : het zij zo !

Misschien is dat trouwens de beste strategie.

Wanneer Vlamingen in dit land iets vragen, krijgen ze steeds nul op het rekest, vanwege hun ingeboren minderwaardigheidsgevoel.

Voor Freud valt het eerste ‘nee !’ van een kind samen met het onderscheid tussen binnen en buiten, dus met de vorming van zijn ik en zijn persoon ten opzichte van de buitenwereld.

Het Vlaamse zelfbewustzijn moet nog groeien. In plaats van eisen te stellen moet Vlaanderen eerst ‘nee !’ leren zeggen.

Dit kan het best door de franstaligen te laten komen met vragen.

Het is niet moeilijk. Kijk maar.

Vraag : Extra federale middelen voor Brussel ? – Antwoord : ‘Nee !’

Vraag : Bijkomende inspanningen van de deelstaten om de begroting in evenwicht te houden ? – Antwoord : ‘Nee !’

Vraag : Herfinanciering van het franstalig onderwijs ?

 – Antwoord : ‘Nee !’

Vraag : Een onderhandelde oplossing voor BHV ? – Antwoord : ‘Nee !’

Frank Vandenbroucke – de enige binnen de Spa die aandacht vroeg voor de staatshervorming – is het als eerste aan het leren. Hij zegt ‘nee !’ (tegen de federale afschaffing van de lastenverlaging voor 50-plussers) door zélf gebruik te maken van de fameuze alarmbelprocedure, plots tot groot ongenoegen van de franstaligen.

Aldus sprak N*A*O*,

‘On n’est demandeur de rien’,

Merksem, 11 maart 2009